Spelregels E-HockeySpelregels
Elektrisch Rolstoelhockey
Geldig m.i.v. speelseizoen 2008-2009
Technische Commissie Rolstoelhockey
INHOUD
ARTIKEL A DOEL VAN HET SPEL
A.1. Doel van het spel
ARTIKEL B HET SPEELGEBIED
B.1. Speelveld
B.2. Veldbegrenzing
B.3. Lijnen, gebieden en markeringen
B.4. Het doel
ARTIKEL C SPELMATERIAAL
C.1. De bal
C.2. De handstick
C.3. De T-stick
C.4. De rolstoel
C.5. Wedstrijduitrusting
ARTIKEL D HET TEAM
D.1. Spelers
D.2. Aanvoerder
D.3. Wisselspelers
D.4. Coaches
ARTIKEL E SCHEIDSRECHTERS, SCORER, TIJDWAARNEMER EN HUN TAKEN
E.1. Scheidsrechters
E.2. Taken en verantwoordelijkheden van de hoofdscheidsrechter
E.3. Taken en verantwoordelijkheden van beide scheidsrechters
E.4. Taken van de tijdwaarnemer en de scorer
ARTIKEL F BEPALINGEN BETREFFENDE DE TIJD
F.1. Speeltijd
F.2. Belaste time-out
ARTIKEL G BEPALINGEN BETREFFENDE ROLSTOEL, BAL EN STICK
G.1. Het voortbewegen van de rolstoel
G.2. Het spelen van de bal
G.3. Het gebruik van de stick
ARTIKEL H BEPALINGEN BETREFFENDE HET SPEL
H.1. Doelpunt
H.2. Uitbal
H.3. Bal-vast situatie
H.4. Drie-seconden regel
H.5. Doelgebiedregel
ARTIKEL I PERSOONLIJK CONTACT EN OVERTREDINGEN
I.1. Persoonlijk contact
I.2. (On)opzettelijke overtredingen
I.3. Zware opzettelijke overtredingen
I.4. Wangedrag
ARTIKEL J STRAFFEN
J.1. Waarschuwing
J.2. Tijdstraf
J.3. Diskwalificatie
ARTIKEL K START OF SPELHERVATTING
K.1. Openingsbal
K.2. Scheidsrechtersbal
K.3. Keeperbal
K.4. Vrije bal
K.5. Strafbal
K.6. Strafbalseries
BIJLAGE I SIGNALEN SCHEIDSRECHTERS
BIJLAGE II TABEL VAN OVERTREDINGEN, STRAFFEN EN SPELHERVATTINGEN
BIJLAGE III TOELICHTING OP PERSOONLIJK CONTACT
BIJLAGE IV TEKENINGEN
ARTIKEL A DOEL VAN HET SPEL
A.1. Doel van het spel
A.1.1. Het doel van het spel is meer doelpunten te maken dan de tegenpartij, spelend binnen de Nederlandse rolstoelhockey spelregels en reglementen.
ARTIKEL B HET SPEELGEBIED
B.1. Speelveld
B.1.1. Het speelveld is rechthoekig met afgeronde hoeken (zie artikel B.2.2.) en heeft een harde en gladde speelvloer zonder obstakels.
B.1.2. In de Superleague en Hoofdklasse is de afmeting van het speelveld 26 m. lang en 16 m. breed. Afwijkingen zijn toegestaan: minimaal 24 m. lang en 14 m. breed en maximaal 26 m. lang en 16 m. breed.
B.1.3. In de 1e en lagere klassen is de afmeting van het speelveld 20 meter lang en 10 meter breed.
Afwijkingen zijn toegestaan: de minimale afmeting bedraagt 19 meter lang en 9 meter breed, de maximale afmeting is 22 meter lang en 12 meter breed.
B.1.4. De speelvloer is van hout of synthetisch materiaal.
B.2. Veldbegrenzing
B.2.1. Het speelveld wordt rondom begrensd door een afzetting met een hoogte van 20 centimeter, welke een hoek van 80-90 graden vormt met de speelvloer.
Afwijkingen zijn toegestaan: de hoogte van de afzetting is minimaal 9 centimeter en maximaal 20 centimeter.
B.2.2. De hoeken van het speelveld zijn ronde hoeken.
Afwijkingen zijn toegestaan: driehoekmarkeringen met een diagonaal van 60 - 70 centimeter.
B.3. Lijnen, gebieden en markeringen
B.3.1. Het speelveld bestaat uit de volgende lijnen, gebieden en markeringen:
• Middenlijn: De middenlijn loopt evenwijdig aan de korte zijden van het speelveld en
verdeelt het speelveld in twee gelijke helften.
• Strafballijnen: De twee strafballijnen lopen evenwijdig aan de korte zijden van het
speelveld.
In de Super League en Hoofdklasse op een afstand van 7 meter van de korte zijden.
In de 1e en lagere klassen op een afstand van 5 meter van de korte zijden.
• Doellijnen: In de Super League en Hoofdklasse lopen de twee doellijnen evenwijdig
aan de korte zijden van het speelveld op een afstand van 2 meter van de korte zijden.
In de 1e en lagere klassen bevinden de doellijnen zich op de achterlijnen.
• Doelpaallijnen: De plaatsen van de doelpalen zijn gemarkeerd met korte lijnen die haaks
staan op de doellijnen.
• Neutraal gebied: Het gebied tussen de strafballijnen.
• Strafbalgebieden: De twee gebieden tussen de strafballijnen en korte zijden van het
speelveld, inclusief de strafballijn.
• Doelgebieden: De twee halve cirkelgebieden voor de doelen, inclusief de doelgebiedlijn
en de doellijn. De doelgebieden hebben een radius van 150 centimeter,
gemeten vanaf het middenpunt van de doellijn.
(vanaf seizoen 2010/2011 wordt dit 175 centimeter)
• Doelgebiedlijnen: De twee halve cirkels welke de doelgebieden begrenzen.
• Middenstip: Het middenpunt van de middenlijn.
• Strafbalstippen: De middenpunten van beide strafballijnen, 5 meter vanaf de doellijnen.
• Spelersvakken: In de Super League en Hoofdklasse de twee vakken buiten het speelveld
aan de kant van de wedstrijdtafel, tussen de strafballijnen en de korte
zijden van het speelveld, elk 7 meter in lengte en een diepte van
2 meter, gemeten vanaf het scheidsrechtersgebied.
In de 1e en lagere klassen achter de korte zijden van het speelveld met een diepte van 2 meter, gemeten vanaf het scheidsrechtersgebied.
• Straftijdvakken/ De twee vakken aan beide zijden van de wedstrijdtafel, met een minimum
wisselvakken: lengte van 3 meter, gemeten vanaf de wedstrijdtafel en een diepte van
2 meter, gemeten vanaf het scheidsrechtersgebied.
• Scheidsrechters- Het gebied rondom het speelveld met een breedte van 1 meter.
gebied:
• In- en uitgang: De veldbegrenzing van het neutrale gebied voor de wedstrijdtafel.
• Wedstrijdtafel: Tafel in het verlengde van de middenlijn, 1,5 meter buiten het speelveld.
• Publiekgebied: Het gebied rond het speelveld, minimaal 1 meter buiten het
scheidsrechtersgebied, de spelersvakken, de straftijdvakken/wisselvakken en de wedstrijdtafel.
B.3.2. Alle markeringen zijn aangebracht met lijnen, 4-5 centimeter breed, in een duidelijk zichtbare kleur.
B.4. Het doel
B.4.1. Het doel is 220 centimeter breed, gemeten vanaf de binnenzijden van de doelpalen.
(Vanaf seizoen 2010/2011 is het doel 250 centimeter breed.)
B.4.2. Het doel is 20 centimeter hoog gemeten vanaf de grond tot de onderkant van de dwarslat.
B.4.3. Het doel is 40 centimeter diep, gemeten van de voorkant van de doelpaal tot de grondlat.
Afwijkingen zijn toegestaan: minimaal 20 centimeter en maximaal 40 centimeter diep.
B.4.4. Het doelnet is zodanig vastgemaakt aan de doelpalen, dwarslat en grondlat dat de bal er niet doorheen kan. De mazen van het doelnet zijn zodanig dat de bal er niet doorheen kan. Het doelnet hangt niet te slap, waardoor de bal niet over de lijn kan rollen, maar ook niet zo strak dat de bal terugketst als deze het net raakt.
B.4.5. Het doel is geplaatst met de doelpalen op de doelpaallijnen.
B.4.6. De opening van het doel is naar de middenstip gericht.
ARTIKEL C SPELMATERIAAL
C.1. De bal
C.1.1. De bal is gatenbal van synthetisch materiaal en is hol, rond en luchtgevuld.
C.1.2. De omtrek van de bal is 22,3-22,9 centimeter.
C.1.3. De diameter is 7 centimeter.
C.2. De handstick
C.2.1. De handstick is gemaakt van ondoorzichtig, kunststof materiaal.
C.2.2. De handstick heeft geen scherpe hoeken, uitstekende of andere scherpe delen.
C.2.3. De steel van de handstick is maximaal 112 centimeter lang, gemeten vanaf het blad.
C.2.4. De handstick is uitgevoerd uit één stuk. Als de handstick niet uit één stuk bestaat, dan is het blad aan de steel geplakt of bevestigd door middel van voorgevormde gaten, waarin klinknagels, schroeven en dergelijke zich bevinden.
C.2.5. Het blad van de handstick heeft een maximale lengte van 27 centimeter en een maximale hoogte van 8 centimeter.
C.2.6. Het blad van de handstick heeft een minimale dikte van 0,8 centimeter en een maximale dikte van 2 centimeter.
C.2.7. De kromming van het blad is niet groter dan 3 centimeter, gemeten vanaf het hoogste punt aan de binnenkant van het blad en een recht oppervlak, waarop de handstick ligt.
C.2.8. Het is niet toegestaan een handstick aan de rolstoel te bevestigen.
C.2.9. Het is toegestaan een handstick aan een lichaamsdeel te bevestigen, wanneer de speler niet in staat is een handstick vast te houden.
C.2.10. Een speler die een handstick gebruikt, welke niet voldoet aan de bepalingen in artikel C.2. wordt door de scheidsrechter uit het veld gestuurd.
C.3. De T-stick
C.3.1. De T-stick is aan de voorzijde van de rolstoel bevestigd.
C.3.2. De afstand tussen de voorkant van de T-stick en het voorste punt van de rolstoel is maximaal
50 centimeter.
C.3.3. De T-stick heeft één blad en mag twee zijvleugels hebben.
C.3.4. Het blad en de zijvleugels van de T-stick zijn van kunststof, ondoorzichtig materiaal.
C.3.5. Het materiaal dat de zijvleugels met het blad verbindt en dat de T-stick aan de rolstoel verbindt, mag van metaal en/of aluminium zijn.
C.3.6. De delen van de verbinding buiten het blad van de T-stick bevinden zich op een hoogte, waarbij de bal er vrij onder door kan rollen.
C.3.7. Het blad van de T-stick heeft een maximale lengte van 35 centimeter.
C.3.8. Het blad heeft een maximale hoogte van 10 centimeter over minimaal 20 centimeter van het blad, gemeten vanaf de voorkant van de T-stick.
C.3.9. Het blad en de zijvleugels van de T-stick hebben een maximale dikte van 2 centimeter.
C.3.10. Zijvleugels mogen op een willekeurige plaats zijn bevestigd aan weerszijden van het blad, in een hoek tussen 75 en 90 graden.
C.3.11. Zijvleugels hebben een maximale hoogte van 10 centimeter.
C.3.12. Zijvleugels hebben een maximale breedte van 10 centimeter, gemeten vanaf het blad.
C.3.13. Zijvleugels mogen aan het uiteinde maximaal 2 centimeter omgebogen zijn, maar mogen een binnenhoek van 135 graden niet overschrijden.
C.3.14. Het is toegestaan dat een stick aan de rolstoel voorzien is van een mechanisme om de bal weg te schieten of een draaimechanisme aan de achterzijde heeft, mits hiermee de afmetingen van de T-stick niet worden overschreden.
C.3.15. Een speler met een T-stick, die niet voldoet aan de bepalingen van artikel C.3. wordt door de scheidsrechter uit het veld gestuurd.
C.4. De rolstoel
C.4.1. De rolstoel is een elektrisch aangedreven rolstoel met een minimum van 4 wielen en een maximum van 6 wielen, inclusief een maximum van 2 veiligheidswielen.
Elektrische scootmobielen zijn niet toegestaan
C.4.2. De rolstoel van de keeper mag tot een hoogte van 20 centimeter niet langer zijn dan 125 centimeter (exclusief de T-stick).
C.4.3. De rolstoel is vrij van scherpe, uitstekende delen.
C.4.4. Alle delen van de rolstoel, met uitzondering van de (veiligheids)wielen, hebben een dusdanige hoogte, dat de bal er vrij onderdoor kan rollen.
NB: voor rolstoelen, die niet aan deze regel voldoen, dient dispensatie aangevraagd te worden.
C.4.5. Er bevinden zich geen onnodige en verwijderbare obstakels en attributen onder, op, in of aan de rolstoel.
C.4.6. Het is toegestaan te spelen met bescherming rondom de rolstoel, om het lichaam en/of de rolstoel te beschermen. De bescherming bevindt zich op een dusdanige hoogte, dat de bal er vrij onderdoor kan rollen. De bescherming heeft ronde hoeken en steekt niet verder uit dan
5 centimeter vanaf de rolstoel, inclusief de dikte van de bescherming.
C.4.7. Het is toegestaan te spelen met bescherming om de benen en voeten te beschermen. De bescherming bevindt zich op een dusdanige hoogte, dat de bal er vrij onderdoor kan rollen. De bescherming heeft ronde hoeken en steekt niet verder uit dan 10 centimeter van de benen/voeten en niet verder dan 5 centimeter van de rolstoel, inclusief de dikte van het materiaal.
C.4.8. De rolstoel is voorzien van banden, die geen strepen achterlaten op de speelvloer.
C.4.9. Een speler in een rolstoel die niet voldoet aan de bepalingen in artikel C.4. wordt door de scheidsrechter uit het veld gestuurd.
C.5. Wedstrijduitrusting
C.5.1. Op de wedstrijdtafel zijn aanwezig: een scorebord, tenminste drie wedstrijdballen, een wedstrijdklok, een stopwatch, een signaalbel, het wedstrijdformulier en twee pennen.
In de Sl/HK horen hierbij voldoende wedstrijdbriefjes waarop de coaches wisselspelers kunnen noteren.
ARTIKEL D HET TEAM
D.1. Spelers
D.1.1. De spelers van het eerstgenoemde team op het wedstrijdformulier stellen zich op aan de linkerkant van de wedstrijdtafel, gezien vanaf het speelveld.
D.1.2. In de Super League en Hoofdklasse stelt ieder team 1 keeper en 4 veldspelers speelklaar op in het speelveld om het spel te beginnen.
In de 1e en lagere klassen stelt ieder team 1 keeper en 3 veldspelers speelklaar op in het speelveld om het spel te beginnen.
Toegestane uitzondering: het is toegestaan om met 1 speler minder de wedstrijd te beginnen.
D.1.3. De keeper neemt deel aan de wedstrijd met een T-stick.
D.1.4. In de Superleague en Hoofdklasse speelt een team een wedstrijd met maximaal 3 handstick spelers tegelijkertijd in het speelveld, inclusief spelers met een tijdstraf of diskwalificatie.
D.1.5 Na de rust wisselen de spelers van speelhelft.
D.1.6. Spelers mogen geen onnodige en verwijderbare attributen op, aan of in de rolstoel meenemen.
D.1.7 De veldspelers van een team dragen dezelfde shirts in een andere kleur dan die van de tegenpartij.
D.1.8. De keeper draagt een andere kleur shirt dan de shirts van de teamgenoten en die van de tegenpartij.
D.1.9. Wanneer de shirts van beide teams (nagenoeg) dezelfde kleur hebben, is het laatstgenoemde team op het wedstrijdformulier verplicht om in een andere kleur te spelen.
D.1.10. Alle spelers zijn herkenbaar door de spelersnaam en het spelersnummer op de achterkant van de rolstoel, stevig vastgemaakt en duidelijk zichtbaar.
D.1.11. Boven het spelersnummer staan de eerste letter van de voornaam en de volledige achternaam van de speler in Latijnse letters vermeld op een ondergrond in minimaal A4-formaat. De letters zijn minimaal 2 centimeter hoog en de cijfers minimaal 10 centimeter hoog.
D.1.12. Advertenties op het shirt en/of rolstoel zijn toegestaan, mits het spelersnummer en de spelersnaam duidelijk zichtbaar blijven.
D.1.13. Een speler die niet voldoet aan de bepalingen in artikel D.1.1. t/m D.1.11. wordt door de scheidsrechter uit het veld gestuurd.
D.1.14. Een speler mag beschermingsuitrusting dragen, zoals veiligheidsriem, oogbeschermer, een helm, knie- of armbeschermers.
D.1.15. Een speler mag het speelveld gedurende het spel niet betreden of verlaten zonder toestemming van de hoofdscheidsrechter. Wanneer een speler het speelveld tijdens het spel betreedt of verlaat zonder toestemming, wordt dit beschouwd als wangedrag (zie artikel I.4.) en de speler wordt gediskwalificeerd (zie artikel J.3.).
D.2. Aanvoerder
D.2.1. Elk team heeft een aanvoerder, herkenbaar aan een aanvoerdersband rond de bovenarm.
D.2.2. De aanvoerder vertegenwoordigt het team en mag de scheidsrechter op een correcte manier benaderen voor uitleg van de regels en nodige informatie.
D.2.3. De aanvoerder meldt zich voor de wedstrijd bij de hoofdscheidsrechter.
D.2.4. Wanneer de aanvoerder het speelveld verlaat, informeert deze de hoofdscheidsrechter wie zijn plaats inneemt.
D.2.5. De aanvoerder (of diens vervanger: de coach) controleert en tekent het wedstrijdformulier direct na afloop van de wedstrijd.
D.3. Wisselspelers
D.3.1. In de Super League en Hoofdklasse heeft elk team maximaal 5 wisselspelers per wedstrijd.
In de 1e en lagere klassen heeft elk team maximaal 4 wisselspelers per wedstrijd.
Bankspelers worden beschouwd als wisselspelers.
D.3.2. Alle wisselspelers stellen zich op in het spelersvak aan de kant van de eigen verdedigingshelft van het speelveld.
D.3.3. Na de rust wisselen de wisselspelers niet van spelersvak.
D.3.4. Wisselspelers mogen tijdens de wedstrijd het eigen spelersvak niet verlaten, met uitzondering van het volgende:
• Tijdens een belaste time-out mogen wisselspelers in het scheidsrechtersgebied komen, uitsluitend naast het strafbalgebied aan de kant van het eigen spelersvak.
• Tijdens de rust mogen wisselspelers het spelersvak verlaten.
D.3.5. De speler die gewisseld wordt en de wisselspeler worden door de coach bij de wedstrijdtafel gemeld.
In de Super League en Hoofdklasse neemt de wisselspeler bij aanmelding plaats in het wisselvak.
In de 1e en lagere klassen neemt de wisselspeler bij aanmelding plaats bij het doel.
D.3.6. Een coach mag onbeperkt spelers wisselen.
D.3.7. De scheidsrechter staat de wissel toe op het eerstvolgende dode spelmoment, na het signaal van de tijdwaarnemer.
D.3.8. In de Super League en Hoofdklasse vindt de wissel zo snel mogelijk plaats via het wisselvak aan de kant van het eigen spelersvak.
In de 1e en lagere klassen vindt de wissel zo snel mogelijk plaats via het doel waarachter het team staat opgesteld.
Overtreding van deze regel wordt door de scheidsrechter bestraft in overeenstemming met
artikel I.2. en artikel I.4. (oponthoud van het spel).
D.3.9. Zodra de wisselspeler zijn plaats heeft ingenomen in het speelveld, wordt de wedstrijd door de scheidsrechter hervat met hetgeen waarvoor het spel was stopgezet.
D.3.10. Wanneer een defecte rolstoel niet gerepareerd kan worden of een spelersblessure niet hersteld binnen 30 seconden, dan moet de betreffende speler gewisseld worden of van een andere rolstoel worden voorzien, zodat de wedstrijd vervolgd kan worden.
D.3.11. In de laatste 2 minuten van de wedstrijd worden geen wissels toegestaan, m.u.v. het bepaalde in artikel D.3.10..In SL/HK wordt dit wel toegestaan.
D.4. Coach
D.4.1. Maximaal één coach en één assistent-coach coachen het team.
D.4.2. Een coach is verantwoordelijk voor:
• Het erop toezien dat de spelers tegemoet komen aan de bepalingen betreffende de stick (artikel C.2. + C.3.), de rolstoel (artikel C.4.) en het team (artikel D.).
• Het checken van de namen en de nummers van de spelers op het wedstrijdformulier voordat de wedstrijd begint.
• Het erop toezien dat het team op tijd speelklaar op het speelveld aanwezig is.
• Het melden van een wisselspeler en de speler die gewisseld wordt bij de wedstrijdtafel
(zie artikel D.3.5.).
• Super League en Hoofdklasse: het melden van een belaste time-out bij de tijdwaarnemer
(zie artikel F.2.).
• Erop toezien dat de doelpunten per speler en team goed worden genoteerd.
D.4.3. Indien het team niet over een coach beschikt, neemt de aanvoerder de taken, als genoemd in
artikel D.4.2., waar.
ARTIKEL E SCHEIDSRECHTERS, SCORER, TIJDWAARNEMER EN HUN TAKEN
E.1. Scheidsrechters
E.1.1. Een wedstrijd wordt geleid door twee scheidsrechters, te weten de hoofdscheidsrechter en de tweede scheidsrechter.
E.1.2. Beide scheidsrechters mogen beslissen over alle overtredingen, waar deze ook zijn begaan op het speelveld, maar ieder is eindverantwoordelijk voor een door een denkbeeldige, diagonaal gescheiden helft van het speelveld.
E.1.3. De scheidsrechters wisselen na de rust niet van speelhelft.
E.1.4. Beide scheidsrechters staan in contact met de tijdwaarnemer en de scorer (zie artikel E.4.).
E.1.5. De kleding en uitrusting van een scheidsrechter bestaat uit: sportschoenen, een scheidsrechtershirt, sokken, lange broek, een fluit, een rode en een gele kaart.
E.2. Taken en verantwoordelijkheden van de hoofdscheidsrechter
E.2.1. De hoofdscheidsrechter is verantwoordelijk voor:
• Het voor aanvang van de wedstrijd kenbaar maken aan de medescheidsrechter en de aanvoerder van de tegenpartij dat een speler dispensatie is verleend voor een bepaalde spelregel.
• De openingsbal: deze wordt toegekend aan het team dat als eerste op het wedstrijdformulier vermeld staat genoemd.
• Het beëindigen van de wedstrijd.
• Het noteren op het wedstrijdformulier van ingediende protesten of andere onregelmatigheden en overtredingen van de regels.
• Het controleren op juistheid van het volledige wedstrijdformulier en het als laatste ondertekenen.
E.3. Taken en verantwoordelijkheden van beide scheidsrechters
E.3.1. Voor het begin van iedere wedstrijd zien beide scheidsrechters erop toe dat:
• De maten van het speelveld voldoen aan de eisen zoals bepaald in B.1., B.2. en B.3.
• De doelen voldoen aan de eisen zoals bepaald in artikel B.4.
• De ballen voldoen aan de eisen zoals bepaald in artikel C.1.
• De sticks voldoen aan de eisen zoals bepaald in artikel C.2. en C.3.
• De rolstoelen voldoen aan de eisen zoals bepaald in artikel C.4.
• De wedstrijdtafel voldoet aan de eisen zoals bepaald in artikel C.5.
• De teams voldoen aan de eisen zoals bepaald in artikel D.
E.3.2. Beide scheidsrechters controleren vóór het begin van de wedstrijd het wedstrijdformulier en zien erop toe dat de spelers, die speelklaar op het speelveld aanwezig zijn, speelgerechtigd zijn.
E.3.3. Beide scheidsrechters leiden de wedstrijd in overeenstemming met de spelregels. Dit houdt in:
• Duidelijk het teken aan de tijdwaarnemer geven wanneer de tijdklok aan- of uitgezet moet worden.
• Het controleren van de score op het scorebord na ieder doelpunt.
• Het reageren op het belsignaal van de tijdwaarnemer.
• Het geven van het teken dat een speler gewisseld kan worden.
• Het geven van het teken voor een belaste time-out.
• Het geven van het teken dat een uit het veld gezonden speler weer aan het spel mag deelnemen.
• Het aangeven wanneer een speler de bal onbespeelbaar maakt en dat de 3-secondenregel ingaat (zie artikel H.4.).
• Het toekennen van straffen.
• Het doorgeven van het nummer van de bestrafte speler aan de scorer, de soort en de duur van de straf.
• Het doorgeven aan de scorer van het nummer van de speler die het doelpunt gescoord heeft.
• Het zo snel mogelijk terugplaatsen van de veldbegrenzing en de doelen als deze verschoven zijn.
• Het zo snel mogelijk teruggeven van een gevallen stick aan de speler.
• Het wegsturen van een coach, wisselspeler of toeschouwer die het speelveld betreedt zonder toestemming van een scheidsrechter.
• Het inroepen van eerste hulp bij blessures.
• Het controleren en goedkeuren van de eindscore.
• Het controleren en tekenen van het wedstrijdformulier.
E.3.4. Bovendien fluit de scheidsrechter en geeft het daartoe geëigende teken bij:
• Het begin en einde van iedere speelhelft.
• Een doelpunt.
• Een uitbal.
• Een bal-vast situatie.
• Een overtreding.
• Een blessure.
• Spelhervatting met een openingsbal, keeperbal, vrije bal, scheidsrechtersbal of strafbal.
E.3.5. De scheidsrechter fluit niet:
• Wanneer een speler de stick verliest, tenzij dit veroorzaakt wordt door een overtreding.
• Wanneer de bal via een rolstoel, veldbegrenzing, doel of scheidsrechter wordt gespeeld en daardoor hoger dan 20 centimeter boven de grond komt. Dit wordt beschouwd als een toevalligheid en is geen reden de wedstrijd te stoppen, tenzij het een doelpunt veroorzaakt. Het doelpunt zal ongeldig verklaard worden. Het spel wordt hervat met een keeperbal.
• Wanneer de bal een scheidsrechter raakt. Wanneer na zo’n bal een doelpunt wordt gescoord, telt deze niet. De scheidsrechter tracht buiten de baan van de bal te lopen. Het spel wordt dan herval met een keeperbal.
• Voor een onvoorziene defecte rolstoel.
Gedurende het eerstvolgende dode spelmoment, mag iemand proberen de defecte rolstoel te repareren. Wanneer de rolstoel niet binnen 30 seconden gerepareerd kan worden, dient de speler gewisseld te worden of van rolstoel te veranderen.
• Onmiddellijk voor wangedrag.
De scheidsrechter kan wachten met het geven van de straf tot het eerstvolgende dode spelmoment.
• Wanneer de voordeelregel toegepast kan worden.
Wanneer de scheidsrechter van oordeel is dat een overtreding geen nadeel oplevert voor het team dat in balbezit is, kan de scheidsrechter beslissen niet te fluiten, maar het spel door te laten gaan.
E.3.6. Beide scheidsrechters zijn gerechtigd te beslissen in alle gevallen die niet door de spelregels worden gedekt.
E.4. Taken van de tijdwaarnemer en de scorer
E.4.1. De tijdwaarnemer en de scorer reageren op de signalen van de scheidsrechters.
E.4.2. De taken van de tijdwaarnemer zijn:
• Het bedienen van de tijdklok op het teken van de scheidsrechter (zie artikel F.1.).
• De scheidsrechter erop wijzen, door middel van een belsignaal, dat de wedstrijdhelft of de extra tijd voorbij is.
• De scheidsrechter erop wijzen, door middel van een belsignaal, dat er een wissel of een belaste time-out (zie artikel F.2.) is aangevraagd.
• De tijd opnemen van een belaste time-out (zie artikel F.2.), door middel van een stopwatch
(1 minuut).
De tijdwaarnemer geeft de scheidsrechter door middel van een belsignaal aan dat de tijd van de belaste time-out om is.
• De tijd opnemen in geval van een uit het veld gezonden speler door middel van een stopwatch (2 minuten). De tijdwaarnemer geeft de scheidsrechter door middel van een belsignaal aan dat de tijd van de straftijd om is.
• De tijd opnemen in geval van een rolstoeldefect of blessure door middel van een stopwatch (30 seconden). De tijdwaarnemer geeft de scheidsrechter door middel van een belsignaal aan dat de tijd om is.
E.4.3. De taken van de scorer zijn:
• Het beheer van het wedstrijdformulier en de spelerskaarten tijdens de wedstrijd.
• De spelerskaarten gebruiken om de namen en de nummers van de spelers te registreren.
• De score op het scorebord aangeven. Dit houdt in: de score aangeven aan de kant waar de scorende partij zijn verdedigingshelft heeft.
• Na de eerste helft de stand omdraaien op het scorebord.
• Vermelden op het wedstrijdformulier: de speelminuut van elk doelpunt en het nummer van de speler die het doelpunt maakte.
• Vermelden op het wedstrijdformulier: de speelminuut van de straf (officiële waarschuwing, tijdstraf of diskwalificatie), de soort straf en het nummer van de bestrafte speler.
• Vermelden op het wedstrijdformulier: de tijd en het nummer van de wisselspeler als deze het speelveld in komt.
• De rust- en eindstand noteren op het wedstrijdformulier.
ARTIKEL F BEPALINGEN BETREFFENDE DE TIJD
F.1. Speeltijd
F.1.1. Super League en Hoofdklasse: een wedstrijd bestaat uit twee helften van 20 minuten zuivere speeltijd (zie artikel F.1.5.), waar tussen een pauze van 10 minuten.
1e en lagere klassen E-Hockey: een wedstrijd bestaat uit twee helften van 15 minuten, waar tussen een pauze van 5 minuten.
F.1.2. De tijd gaat in (time-in): de wedstrijdklok wordt ingeschakeld op het signaal van de scheidsrechter:
• bij het begin van iedere speelhelft of verlenging
• na een time-out (zie artikel F.1.5.)
F.1.3. De bal is in het spel op het moment dat de bal wordt aangeraakt, na het signaal van de scheidsrechter voor een openingsbal, een scheidsrechtersbal, het innemen van een uitbal, een keeperbal, een vrije bal of een strafbal.
F.1.4. Het spel wordt stopgezet (het spel is dood), wanneer de scheidsrechter het signaal geeft voor:
• een doelpunt
• een uitbal
• een bal-vast situatie
• een overtreding
• een blessure
• het einde van de speelhelft of verlenging
F.1.5 In Super League en Hoofdklasse:
Time-out vindt plaats (de wedstrijdklok wordt stopgezet) wanneer de scheidsrechter het teken geeft voor:
• het einde van de speelhelft of verlenging
• een doelpunt
• een belaste time-out (max. 1 minuut)
• een rolstoeldefect (max. ½ minuut)
• een blessure (max. ½ minuut)
• een spelerswissel
• een strafbal
• een tijdstraf of diskwalificatie
• een onderbreking van het spel voor het wegzenden van een coach of toeschouwer
• een uitzonderlijk oponthoud van het spel
F.2. Belaste time-out (uitsluitend van toepassing in Super League en Hoofdklasse)
F.2.1. Gedurende elke speelhelft mag aan ieder team één belaste time-out worden toegestaan.
F.2.2. De duur van een belaste time-out bedraagt maximaal één minuut.
F.2.3. Een ongebruikte belaste time-out mag niet naar een volgende speelhelft worden overgedragen.
F.2.4. Een coach vraagt een belaste time-out aan bij de wedstrijdtafel.
F.2.5. De tijdwaarnemer geeft direct na de aanvraag het signaal aan de hoofdscheidsrechter dat er een belaste time-out is aangevraagd.
F.2.6. De scheidsrechter kent de belaste time-out toe in het eerstvolgende dode spelmoment.
F.2.7. De tijdwaarnemer neemt de tijd van de belaste time-out op en wanneer deze tijd verstreken is, geeft hij de hoofdscheidsrechter hiervan een signaal.
F.2.8. Wanneer het team dat de belaste time-out heeft aangevraagd speelklaar is, voordat de tijd van de belaste time-out om is, heeft de hoofdscheidsrechter de bevoegdheid het spel eerder te hervatten.
F.2.9. Het spel wordt hervat met hetgeen waarvoor het spel is stopgezet.
ARTIKEL G BEPALINGEN BETREFFENDE ROLSTOEL, BAL EN STICK
G.1. Het voortbewegen van de rolstoel
G.1.1. De voeten en de voetenplank bevinden zich op een dusdanige hoogte, dat de bal er vrij onderdoor kan rollen. Indien nodig om veiligheidsredenen, zijn de benen/voeten aan de rolstoel vastgebonden.
G.1.2. Tijdens de wedstrijd is het zitvlak in contact met de zitting van de rolstoel. Het is niet toegestaan dat een speler zichzelf op- of naar voren duwt of schuift.
G.1.3. Er wordt met een dusdanige snelheid gereden, dat elke beweging zonder gevaar uitgevoerd wordt en volgens de bepalingen van Persoonlijk Contact (zie artikel I.1). Gevaarlijk rijden is niet toegestaan. Dit ter beoordeling van de scheidsrechter.
G.1.4. Rolstoelcontact met de rolstoel, stick of lichaam van een andere speler en met de veldbegrenzing, doel of scheidsrechter is niet toegestaan overeenkomstig artikel I.1.4.
G.1.5. Overtreding van artikel G.1.1. t/m artikel G.1.4. wordt door de scheidsrechter bestraft overeenkomstig artikel I. + J.
G.2. Het spelen van de bal
G.2.1. De bal mag uitsluitend gespeeld worden met de stick en de rolstoel.
Overtreding van deze regel wordt door de scheidsrechter bestraft overeenkomstig artikel I. + J.
G.2.2. De bal mag in iedere richting gespeeld worden.
G.2.3. De bal mag niet hoger dan 20 centimeter boven de speelvloer gespeeld worden.
Overtreding van deze regel wordt door de scheidsrechter bestraft overeenkomstig artikel I. + J.
G.2.4. Indien de bal wordt gespeeld via een rolstoel, de speelvloer, een doel of een scheidsrechter
en daardoor 20 centimeter boven de speelvloer komt, wordt dit als een toevalligheid beschouwd en is dit geen reden de wedstrijd te stoppen, tenzij het een doelpunt veroorzaakt. Het doelpunt wordt ongeldig verklaard. De wedstrijd wordt hervat met een keeperbal.
G.2.5. Een speler mag niet:
• De bal opzettelijk plat rijden.
• De bal oppakken, schoppen, gooien, koppen, vangen, slaan, vasthouden of met (een deel van) het lichaam meenemen (zie artikel I.3.1.).
• De bal in het doelgebied aanraken of uit het doelgebied spelen, met uitzondering van de keeper (zie artikel H.5.1. en I.3.1.).
• De bal in een verkeerde richting slaan tijdens een dood spelmoment (zie artikel I.3.1.).
• De bal ongecontroleerd spelen in de richting van een persoon op een manier die gevaarlijk of intimiderend is (= gevaarlijk spel, zie artikel I.3.1.).
• Aan het spel deelnemen als de speler op de grond zit of ligt.
Deze overtredingen kunnen (on)opzettelijk plaatsvinden en worden bestraft overeenkomstig artikel I. en artikel J.
G.3. Het gebruik van de stick
G.3.1. Stickcontact met de stick van een andere speler is toegestaan, uitsluitend om de bal te spelen op een geoorloofde manier (zie artikel I.1.5.).
G.3.2. Stickcontact met het lichaam en de rolstoel van een andere speler is niet toegestaan
(= Persoonlijk Contact, zie artikel I.1.5.).
G.3.3. Overtredingen als genoemd in artikel G.3.1. en G.3.2. kunnen (on)opzettelijk plaatsvinden en worden bestraft overeenkomstig artikel I. en J.
G.3.4. Een speler mag niet:
• De stick opzettelijk laten vallen (= vallende stick).
• De stick van de tegenstander uit de handen rijden (= haken).
• De stick van de tegenstander tegenhouden, tillen of haken (= haken).
• Een wiel of het lichaam van een andere speler met de stick haken (= haken / gevaarlijk spel).
• (Hard) slaan op een stick of rolstoel van een andere speler (= opzettelijk slaan / hakken).
• Slaan tegen andermans stick (= slaan / hakken), wanneer deze zich tussen de bal en de eigen stick bevindt.
• Hard op de grond slaan (= opzettelijk slaan / hakken).
• De stick dusdanig hoog ophalen op een wijze die gevaarlijk, intimiderend of hinderlijk is voor een andere persoon (= hoge stick voering / gevaarlijk spel). Met de stick gooien (= opzettelijk gooien van de stick).
• De eigen stick in de spaken van de rolstoel van de tegenspeler steken (= haken / gevaarlijk spel).
• De eigen stick tussen of voor de wielen van een rolstoel van een tegenstander steken, zodat persoonlijk contact ontstaat (= haken / gevaarlijk spel).
• Met de stick slaan, hakken of steken in de richting van een andere persoon (= opzettelijk steken).
Deze overtredingen worden bestraft overeenkomstig artikel I. en J.
ARTIKEL H BEPALINGEN BETREFFENDE HET SPEL
H.1. Doelpunt
H.1.1. Een doelpunt telt als de bal volledig de doellijn is gepasseerd tussen de doelpalen en onder de dwarslat door.
H.1.2. Een doelpunt telt voor één punt.
H.1.3. Wanneer een doelpunt wordt gescoord, terwijl het doel verschoven is, telt het doelpunt wanneer de bal de doellijn volledig is gepasseerd tussen de markeringspunten waar de doelpalen behoren te staan. Dit is ter beoordeling van de scheidsrechter (zie artikel H.5.3.).
H.1.4. Een direct gescoord doelpunt (dat wil zeggen zonder dat een andere speler de bal met de stick of rolstoel heeft aangeraakt op de aanvalshelft) door een team vanaf de eigen speelhelft (inclusief middenlijn) telt niet.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
De wedstrijd wordt hervat met een vrije bal vanaf de plaats waarvandaan de bal geschoten is.
H.1.5. Wanneer een aanvallende speler de bal aanraakt of de keeper hindert in het keepersgebied, voordat het doelpunt wordt gescoord, dan telt het doelpunt niet (zie artikel H.5.1. en H.5.2.).
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
H.1.6. Een eigen doelpunt telt altijd, ongeacht de plaats waar vandaan de bal werd gespeeld.
H.1.7. Na een doelpunt wordt de wedstrijd hervat met een openingsbal.
H.2. Uitbal
H.2.1. De bal is ‘uit’ als deze buiten het speelveld wordt gespeeld of op het doelnet blijft liggen.
H.2.2. De laatste speler die de bal aanraakte voordat de bal uitging, speelde de bal uit.
H.2.3. De bal kan opzettelijk of onopzettelijk ‘uit’ gespeeld worden.
Het team dat de bal ‘uit’ speelde wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
H.2.4. Wanneer de bal ‘uit’ is gespeeld over de lange zijde van het speelveld in het neutrale gebied en een vrije bal wordt toegekend, dan wordt de vrije bal genomen op de plaats waar de bal over de lange zijde werd gespeeld 2 meter vanaf de zijlijn.
H 2.5. Wanneer de bal “uit” is gespeeld over de lange zijde van het speelveld in het strafbalgebied en een
vrije bal wordt toegekend, dan wordt de vrije bal genomen op de strafballijn 2 meter vanaf de
zijlijn. Dit is een indirecte vrije bal zie art. K.4.9.
H 2.6. Wanneer de bal ‘uit’ is gespeeld over de korte zijde van het speelveld in het strafbalgebied en een
vrije bal wordt toegekend, dan wordt de vrije bal genomen op de strafballijn overeenkomstig de plaats waar de bal de korte zijde is gepasseerd, tenminste 2 meter vanaf de zijlijn.
Dit is een indirecte vrije bal zie art. K.4.9.
H.2.7. Wanneer de bal ‘uit’ is gespeeld op het doelnet, wordt de vrije bal genomen op de strafbalstip
Dit is een indirecte vrije bal, zie art. K.4.9.
H.3. Bal-vast situatie
H.3.1. Er wordt van een ‘bal-vast situatie’ gesproken wanneer:
• Een keeper de bal buiten het eigen doelgebied, maar binnen het eigen strafbalgebied langer dan 3 seconden blokkeert door middel van de rolstoel of stick (zie artikel H.4.2.).
• Een speler de bal langer dan 3 seconden blokkeert en geen enkele mogelijkheid heeft de bal speelbaar te maken.
• De bal vast zit in een rolstoel.
• De bal tussen twee spelers rolt zonder dat één van hen in staat is deze te spelen.
H.3.2. De wedstrijd wordt hervat met een scheidsrechtersbal (zie artikel K.2.).
H.4. Drie-seconden regel
H.4.1. Het is de keeper niet toegestaan de bal binnen het eigen doelgebied met de rolstoel of stick langer dan 3 seconden stil te leggen.
De wedstrijd wordt hervat met een keeperbal (zie artikel K.3.).
H.4.2. Het is de keeper niet toegestaan buiten het eigen doelgebied, maar binnen het eigen strafbalgebied de bal langer dan 3 seconden vast te zetten (zie artikel H.3.1.).
De wedstrijd wordt hervat met een scheidsrechtersbal (zie artikel K.2.).
H.4.3. Een keeper mag de bal buiten het eigen strafbalgebied niet langer dan 3 seconden met de rolstoel en/of stick vastzetten.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
H.4.4. Een veldspeler mag de bal niet langer dan 3 seconden met de rolstoel en/of stick blokkeren. Een veldspeler moet proberen de bal vrij te maken of de bal spelen.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
H.4.5. De scheidsrechter maakt de betreffende speler erop attent dat de bal onbespeelbaar gemaakt is en geeft met een opgestoken hand aan dat de ‘3-secondenregel’ in gaat. De scheidsrechter telt de 3 seconden hoorbaar en zichtbaar.
H.5. Doelgebiedregel
H.5.1. Een speler (met uitzondering van de keeper van het verdedigende team) mag de bal en/of het speelveld binnen het doelgebied (inclusief de doelgebiedlijn) niet aanraken met de stick, de rolstoel of het lichaam.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
Wanneer deze overtreding plaatsvindt tijdens een doelpoging, met de duidelijke opzet een doelpunt te voorkomen, wordt dit beschouwd als een zware opzettelijke overtreding
(zie artikeI I.3.).
H.5.2. Een speler mag de keeper niet hinderen binnen het doelgebied (inclusief de doelgebiedlijn) met de stick, de rolstoel of het lichaam.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
Wanneer deze overtreding plaatsvindt tijdens een doelpoging, met de duidelijke opzet een doelpunt te voorkomen, wordt dit beschouwd als een zware opzettelijke overtreding
(zie artikeI I.3.).
H.5.3. Zowel een keeper als een veldspeler mag het doel niet verplaatsen.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
Wanneer deze overtreding plaatsvindt tijdens een doelpoging, met de duidelijke opzet een doelpunt te voorkomen, wordt dit beschouwd als een zware opzettelijke overtreding
(zie artikeI I.3.).
REGEL I PERSOONLIJK CONTACT EN OVERTREDINGEN
I.1. Persoonlijk contact (zie bijlage III)
I.1.1. Met persoonlijk contact wordt bedoeld: lichamelijk contact, rolstoelcontact en stickcontact.
I.1.2. Persoonlijk contact is niet toegestaan, met uitzondering van stickcontact met de stick of rolstoel van een andere speler (zie artikel I.1.5.).
I.1.3. Lichamelijk contact is het aanraken van de rolstoel, stick of lichaam van een andere speler, de veldbegrenzing, doel of scheidrechter met een deel van het eigen lichaam.
Niet toegestaan zijn:
• Vasthouden.
• Slaan.
• Vechten.
I.1.4. Rolstoelcontact is het aanraken van de rolstoel, stick of lichaam van een andere speler, de veldbegrenzing, doel of scheidrechter, met de eigen rolstoel (zie artikel G.1.)
Niet toegestaan zijn:
• Hinderen.
• Duwen.
• Botsen.
• Obstructie.
• Doordringen.
• Afsnijden.
• Haken.
• Vastzetten.
• Vechten.
I.1.5. Stickcontact is het aanraken van de rolstoel, stick of lichaam van een andere speler, met de eigen stick. Alleen bij een geoorloofde poging om de bal te spelen, is contact met de stick of de rolstoel van een andere speler toegestaan (zie artikel G.3.).
Niet toegestaan zijn:
• Haken: vastzetten, optillen of haken van de stick van een andere speler, of het haken rondom een wiel, de rolstoel of het lichaam van een andere speler.
• Slaan, hakken, steken.
• Vechten.
I.1.6. Wanneer licht persoonlijk contact plaatsvindt als gevolg van een geoorloofde poging de bal te spelen, dan wordt dit contact beschouwd als een toevalligheid en behoeft niet bestraft te worden, tenzij de speler waartegen het contact werd begaan hiervan nadeel ondervindt.
Dit ter beoordeling van de scheidsrechter.
I.1.7. Persoonlijk contact kan (on)opzettelijk plaatsvinden op het hele speelveld en wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2., I.3. en J. (zie bijlage II).
I.2. (On)opzettelijke overtredingen (zie bijlage II)
I.2.1. Een overtreding is een schending van de spelregels die bestraft wordt met het verlies van de bal ten gunste van de tegenpartij.
I.2.2. De aard van de straf wordt bepaald door de ernst van de overtreding en wordt beoordeeld en toegekend door de scheidsrechter.
I.2.3. Een overtreding kan opzettelijk of onopzettelijk plaatsvinden, binnen of buiten het eigen strafbalgebied.
I.2.4. Een speler die een onopzettelijke overtreding begaat, ergens in het speelveld, kan een waarschuwing (zie artikel J.1.) of een tijdstraf (zie artikel J.2.) krijgen van de scheidsrechter
(zie artikel I.2.2.).
De wedstrijd wordt hervat met een vrije bal voor de tegenpartij (zie artikel K.4.).
I.2.5. Een speler die een opzettelijke overtreding begaat, buiten het eigen strafbalgebied, kan een waarschuwing (zie artikel J.1.) of een tijdstraf (zie artikel J.2.) krijgen van de scheidsrechter
(zie artikel I.2.2.). De wedstrijd wordt hervat met een vrije bal voor de tegenpartij (zie artikel K.4.).
I.2.6. Een speler die een opzettelijke overtreding begaat, binnen het eigen strafbalgebied, kan een tijdstraf (zie artikel J.2.) krijgen van de scheidsrechter (zie artikel I.2.2.).
De wedstrijd wordt hervat met een strafbal (zie artikel K.5.) ten gunste van de tegenpartij.
I.2.7. Wanneer spelers van beide teams tegelijkertijd ergens op het speelveld een overtreding begaan, worden beide spelers door de scheidsrechter bestraft (zie artikel I.2.2.).
De wedstrijd wordt hervat met een scheidsrechtersbal (zie artikel K.2.).
I.2.8. Wanneer een speler voor de tweede keer in dezelfde wedstrijd een tijdstraf krijgt, wordt deze speler gediskwalificeerd (zie artikel J.3.) door de scheidsrechter (zie artikel I.2.2.).
I.2.9. Voordeelregel:
Wanneer de scheidsrechter van mening is dat de overtreding het team dat in balbezit is niet benadeelt, dan kan de scheidsrechter beslissen voor deze overtreding niet te fluiten, maar te laten doorspelen. Een eventuele straf kan tijdens het eerstvolgende dode spelmoment alsnog toegekend worden.
I.3. Zware opzettelijke overtredingen (zie bijlage II)
I.3.1. Een zware opzettelijke overtreding is een grove inbreuk op de spelregels. Hieronder vallen:
• Het opzettelijk spelen van de bal met het lichaam (zie artikel G.2.5.).
• Het opzettelijk aanraken van de bal en/of het speelveld binnen het doelgebied (inclusief de doelgebiedlijn) met de rolstoel, de stick of het lichaam (met uitzondering van de keeper van het verdedigende team) tijdens een doelpoging, met de duidelijke bedoeling een doelpunt te voorkomen (zie artikel G.2.5. en H.5.1.); hieronder valt ook het opzettelijk wegspelen van de bal uit het doelgebied tijdens een doelpoging.
• Het op enigerlei wijze hinderen van de keeper binnen het doelgebied (inclusief de doelgebiedlijn) met de stick, de rolstoel, of het lichaam tijdens een doelpoging, met de duidelijke bedoeling een doelpunt te voorkomen (zie artikel H.5.2.).
• Het verplaatsen van het doel tijdens een doelpoging met de duidelijke bedoeling een doelpunt te voorkomen (zie artikel H.5.3.).
• Het opzettelijk wegslaan van de bal in een ongewenste richting tijdens een dood spelmoment (zie artikel G.2.5.).
• Het ongecontroleerd spelen van de bal in de richting van een andere speler op een manier die gevaarlijk of intimiderend is (zie artikel G.2.5.).
• Het opzettelijk gooien van de stick (zie artikel G.3.4.).
• De stick dusdanig hoog ophalen op een wijze die gevaarlijk of intimiderend is voor een andere persoon (= hoge stick voering / gevaarlijk spel, zie artikel G.3.4.).
• Het opzettelijk slaan, hakken of steken op of in de richting van een andere speler met de stick of een hand (zie artikel G.3.4.).
• Het maken van persoonlijk contact op ongeoorloofde wijze, welke de veiligheid van de speler in gevaar brengt (blessure) of de rolstoel (ernstig rolstoeldefect) (zie artikel I.1.).
• Opzettelijk een wiel of het lichaam van een andere speler met de stick haken (= haken / gevaarlijk spel). (zie artikel G.3.4.).
• Opzettelijk de eigen stick in de spaken van de rolstoel van de tegenspeler steken (= haken / gevaarlijk spel). (zie artikel G.3.4.).
• Opzettelijk de eigen stick tussen of voor de wielen van een rolstoel van een tegenstander steken, zodat persoonlijk contact ontstaat (= haken / gevaarlijk spel, zie artikel G.3.4.).
I.3.2. Wanneer een speler een zware opzettelijke overtreding begaat, wordt de speler door de scheidsrechter gediskwalificeerd (Rode Kaart, zie artikel J.3.).
I.3.3. De wedstrijd wordt met een vrije bal hervat ten gunste van de tegenpartij wanneer de zware opzettelijke overtreding heeft plaatsgevonden buiten het eigen strafbalgebied.
I.3.4. De wedstrijd wordt met een strafbal hervat ten gunste van de tegenpartij wanneer de zware opzettelijke overtreding heeft plaatsgevonden binnen het eigen strafbalgebied.
I.4. Wangedrag
I.4.1. Wangedrag is het opzettelijk door woord en/of gebaar op grove wijze inbreuk maken op de geest van het spel. Dit houdt in:
• Het op onbeschofte wijze benaderen van een ander; vloeken, twisten, schelden, beledigen, discrimineren, raciale opmerkingen of gebaren worden niet toegestaan (= onsportief gedrag).
• Het herhaaldelijk maken van opmerkingen of gebaren naar de scheidsrechter, tijdwaarnemer, scorer of speler (= onsportief gedrag).
• Het speelveld betreden of verlaten zonder toestemming van de scheidsrechter.
• Het opzettelijk ophouden/vertragen van de wedstrijd (= tijd rekken).
• Het onrechtmatig afstoppen van een doorgebroken speler.
I.4.2. Wangedrag is niet toegestaan. De scheidsrechter bestraft wangedrag met diskwalificatie van de betreffende speler (zie artikel J.3.).
I.4.3. Voor wangedrag kan de scheidsrechter wachten met straffen tot het eerstvolgende dode spelmoment.
I.4.4. De scheidsrechter toont de Rode Kaart aan de gediskwalificeerde speler tijdens het eerstvolgende dode spelmoment.
I.4.5. De betreffende speler dient voor de verdere duur van de wedstrijd het speelveld en de speelzaal te verlaten.
I.4.6. De wedstrijd wordt hervat met hetgeen waarvoor het was stopgezet.
I.4.7. Wanneer een coach of toeschouwer zich misdraagt, wordt deze persoon door de scheidsrechter weggestuurd (de Rode Kaart wordt getoond) en dient de speelzaal te verlaten voor de verdere duur van de wedstrijd.
I.4.8. Wanneer dezelfde speler, coach of toeschouwer, als genoemd in artikel I.4.5. en I.4.7., zich nogmaals met de wedstrijd bemoeit, wordt de wedstrijd gestopt en het team waartoe de speler, de coach of toeschouwer behoort, verliest de wedstrijd reglementair.
ARTIKEL J STRAFFEN (ZIE BIJLAGE II)
J.1. Waarschuwing
J.1.1. Een waarschuwing is een verbale straf van de scheidsrechter naar een speler die een onopzettelijke of opzettelijke overtreding begaat (zie artikel I.2.2.).
J.1.2. Een speler die een tweede waarschuwing krijgt, wordt een tijdstraf opgelegd (zie artikel J.2.).
J.1.3. Een speler die herhaaldelijk waarschuwingen krijgt, kan worden gediskwalificeerd (zie artikel J.3.).
J.2. Tijdstraf (Gele Kaart)
J.2.1. Een tijdstraf kan aan een speler worden opgelegd wanneer deze speler:
• Een opzettelijke overtreding begaat.
• Reeds een waarschuwing heeft gehad.
• Herhaaldelijk onopzettelijke/lichte overtredingen begaat.
J.2.2. De scheidsrechter toont de Gele Kaart aan de betreffende speler en de speler wordt uit het speelveld gestuurd.
J.2.3. De speler verlaat het speelveld via de uitgang en zit de straftijd uit in het straftijdvak aan de kant van de eigen speelhelft (zie bijlage IV).
J.2.4. Een speler met een tijdstraf mag niet door een wisselspeler vervangen worden.
J.2.5. De tijdwaarnemer houdt door middel van een stopwatch de tijd van de straftijd bij en geeft door middel van een belsignaal het teken aan de scheidsrechter, zodra de maximale tijd van de tijdstraf voorbij is.
J.2.6. De duur van de tijdstraf is maximaal 2 minuten officiële speeltijd.
J.2.7. De tijd van de tijdstraf gaat in, zodra de wedstrijd door het fluitsignaal wordt hervat, nadat de betreffende speler het speelveld heeft verlaten.
J.2.8. Wanneer de maximale tijd van de tijdstraf voorbij is, is de straftijd van de betreffende speler voorbij en krijgt de speler direct toestemming van de scheidsrechter om via de ingang terug te komen in het speelveld.
J.2.9. De scorer noteert de wedstrijdtijd en het nummer van de bestrafte speler op het wedstrijdformulier.
J.3. Diskwalificatie (Rode Kaart)
J.3.1. Diskwalificatie wordt door de scheidsrechter opgelegd, wanneer een speler:
• Een zware opzettelijke overtreding begaat (zie artikel I.3.).
• Herhaaldelijk wangedrag vertoont (zie artikel I.4.).
• Een tweede Gele Kaart in dezelfde wedstrijd ontvangt.
J.3.2. De betreffende speler wordt door de scheidsrechter uit het speelveld gestuurd en dient voor de verdere duur van de wedstrijd het speelveld en de speelzaal te verlaten.
J.3.3. De speler verlaat het speelveld via de uitgang bij de wedstrijdtafel.
J.3.4. De speler die gediskwalificeerd is, mag niet vervangen worden door een wisselspeler.
J.3.5. De scorer noteert de tijd van de diskwalificatie en het nummer van de speler op het wedstrijdformulier.
ARTIKEL K START OF SPELHERVATTING
K.1. Openingsbal
K.1.1. Een openingsbal wordt genomen vanaf de middenstip aan het begin van iedere speelhelft en na het scoren van een doelpunt.
K.1.2. De tweede helft neemt het team dat de eerste helft niet begonnen is, de openingsbal.
K.1.3. De speler die de openingsbal gaat nemen, neemt zo snel mogelijk zijn positie in.
K.1.4. Alle medespelers van de speler die de openingsbal gaat nemen, stellen zich, zo snel mogelijk op, achter de middenlijn op de eigen speelhelft, totdat de bal is aangeraakt.
K.1.5. Alle tegenspelers stellen zich, zo snel mogelijk, achter de eigen strafballijn op, totdat de bal is aangeraakt.
K.1.6. Zodra de scheidsrechter fluit, neemt de speler de openingsbal en mag de bal niet opnieuw spelen, voordat deze door een andere speler is aangeraakt.
K.1.7. De openingsbal is indirect, dat wil zeggen dat hieruit niet gescoord kan worden, voordat een andere speler de bal met de stick of rolstoel aanraakt op de aanvalshelft.
K.1.8. Overtreding van artikel K.1.3. t/m artikel K.1.7. wordt door de scheidsrechter bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
K.2. Scheidsrechtersbal
K.2.1. Een scheidsrechtersbal wordt gegeven om het spel te hervatten:
• Wanneer twee tegenstanders gelijktijdig een gelijkwaardige overtreding tegen elkaar begaan.
• Wanneer de keeper buiten het eigen doelgebied, maar binnen het eigen strafbalgebied de bal langer dan 3 seconden onder zijn rolstoel houdt, of langer dan 3 seconden onbespeelbaar maakt door de positie van zijn rolstoel en/of stick (zie artikel H.4.2.).
• Wanneer er sprake is van een ‘bal-vast-situatie’ (zie artikel H.3.).
• Wanneer een bal onopzettelijk is plat gereden
• Wanneer de scheidsrechter de wedstrijd gestopt heeft bij een blessure van een speler.
• Wanneer de scheidsrechter de wedstrijd gestopt heeft om een andere reden dan voor een overtreding.
K.2.2. De scheidsrechtersbal wordt genomen:
• Op de strafbalstip, wanneer de scheidsrechtersbal wordt gegeven in het strafbalgebied.
• Op de middenstip, wanneer de scheidsrechtersbal wordt gegeven in het neutrale gebied.
K.2.3. De scheidsrechtersbal wordt uitgevoerd door een willekeurige speler van elk team.
K.2.4. De beide spelers die de scheidsrechtersbal gaan nemen stellen zich zo snel mogelijk op met de rolstoel bij de strafbalstip/middenstip en met de rug naar het eigen doel, zonder de bal aan te raken. De spelers plaatsen het blad van hun stick loodrecht op de strafballijn/middenlijn aan de rechterzijde van de bal.
K.2.5. Alle andere spelers nemen zo snel mogelijk positie in, op een afstand van tenminste 2 meter van de bal en van de spelers die de scheidsrechtersbal nemen, totdat de bal is aangeraakt na het fluitsignaal van de scheidsrechter.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2 en J.
K.2.6. Zodra de scheidsrechter fluit, mogen beide spelers de bal, welke stil op de strafbal-/middenstip is
neergelegd, spelen of meenemen met de stick.
K.3. Keeperbal
K.3.1. Een keeperbal wordt toegekend aan de keeper:
wanneer de bal langer dan 3 seconden nagenoeg stil ligt in het eigen doelgebied
(zie artikel H.4.1).
K.3.2. Een keeperbal wordt genomen vanaf een willekeurige plaats op de doelgebiedlijn.
K.3.3. De keeper neemt de keeperbal.
K.3.4. De keeper neemt zo snel mogelijk deze positie in.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2 en J.
K.3.5. Alle tegenstanders stellen zich, zo snel mogelijk, op buiten het strafbalgebied, totdat de bal is aangeraakt door de keeper, na het fluitsignaal van de scheidsrechter.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2 en J.
K.3.6. De bal ligt stil op de doelgebiedlijn, wanneer de keeper de bal neemt.
K.3.7. Zodra de scheidsrechter fluit, speelt de keeper de keeperbal en mag de bal niet opnieuw spelen, voordat deze door een andere speler is aangeraakt.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
K.4. Vrije bal
K.4.1. Een vrije bal wordt toegekend aan de tegenpartij wanneer een speler een overtreding begaat, die niet bestraft wordt met een strafbal.
K.4.2. De vrije bal wordt genomen op de strafbalstip wanneer de overtreding begaan wordt binnen het strafbalgebied.
K.4.3. De vrije bal wordt genomen op de plaats van overtreding wanneer deze begaan wordt binnen het neutrale gebied.
K.4.4. Een willekeurige speler van het team waaraan de vrije bal is toegekend, mag de vrije bal nemen.
K.4.5. De speler die de vrije bal gaat nemen, neemt zo snel mogelijk positie in.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
K.4.6. Alle spelers van de tegenpartij nemen zo snel mogelijk positie in, op een afstand van tenminste
2 meter van de bal en van de speler die de vrije bal neemt, totdat de bal wordt aangeraakt.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
K.4.7. De bal ligt stil, wanneer de speler de vrije bal neemt.
K.4.8. Zodra de scheidsrechter fluit, neemt de speler de vrije bal en mag de bal niet opnieuw spelen, voordat deze door een andere speler is aangeraakt.
Overtreding van deze regel wordt bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
K.4.9. Een vrije bal genomen vanaf de strafballijn van de tegenpartij is indirect, dat wil zeggen dat hieruit niet gescoord kan worden, tenzij een andere speler de bal met de stick of rolstoel aanraakt op de aanvalshelft.
Een doelpunt direct gescoord telt niet en een vrije bal wordt toegekend aan de tegenpartij.
K.4.10. Een vrije bal genomen in het neutrale gebied is direct, dat wil zeggen dat een doelpunt direct gescoord kan worden, mits artikel H.1.4. in acht wordt genomen.
K.5. Strafbal
K.5.1. Een strafbal wordt toegekend aan de tegenpartij wanneer een speler opzettelijk een overtreding begaat binnen het eigen strafbalgebied.
K.5.2. De strafbal wordt genomen vanaf de strafbalstip.
K.5.3. De strafbal mag door een willekeurige speler van het team genomen worden, mits deze speler stond opgesteld op het moment van toekenning van de straf.
K.5.4. De speler die stond opgesteld als keeper op het moment dat de straf werd toegekend, verdedigt de strafbal.
K.5.5. De speler die de strafbal gaat nemen en de keeper die gaat verdedigen, nemen zo snel mogelijk positie in.
K.5.6. Alle andere spelers nemen zo snel mogelijk positie in achter de strafballijn op een minimale afstand van 2 meter van de bal en van de speler die de strafbal gaat nemen.
K.5.7. De keeper staat opgesteld met de achterkant van tenminste één achterwiel van de rolstoel op maximaal 30 centimeter voor de doellijn.
K.5.8. De keeper mag de rolstoel niet bewegen, totdat de strafbalnemer de bal aanraakt. Wanneer de keeper te vroeg beweegt, wordt de strafbal opnieuw genomen, tenzij een doelpunt is gescoord.
K.5.9. Zodra de scheidsrechter fluit, neemt de strafbalnemer de strafbal.
K.5.10. De strafbalnemer mag de rolstoel bewegen of aanrijden om de bal te spelen.
K.5.11. De strafbalnemer mag de bal uitsluitend naar voren spelen in een ononderbroken beweging en mag de bal niet drijven met de stick.
K.5.12. De strafbalnemer mag de bal niet opnieuw spelen, voordat deze is aangeraakt door een andere speler, diens rolstoel, het doel of de veldbegrenzing.
K.5.13. Zodra de bal wordt aangeraakt, na het fluitsignaal, mogen alle spelers inrijden om de bal te spelen.
K.5.14. Overtreding van artikel K.5.4. t/m artikel K.5.13. worden bestraft overeenkomstig artikel I.2. en J.
K.6. Strafbalseries
K.6.1. De eerste strafbalserie: drie spelers van elk team nemen ieder een strafbal.
K.6.2. Procedure van de eerste strafbalserie:
• De scheidsrechters besluiten welk doel gebruikt wordt.
• De hoofdscheidsrechter tost door middel van een munt met de aanvoerders van de teams.
• De winnaar van de toss beslist welk team start met het nemen van de strafballen.
• De coaches brengen schriftelijk de scheidsrechters en de scorer op de hoogte van de nummers van de drie spelers en de volgorde waarin zij de strafballen gaan nemen.
• Iedere speler (inclusief de keeper) die op het moment van verstrijken van de speeltijd in het veld stond kan voor de eerste strafbalserie opgegeven worden, dus geen speler met een straftijd, die overgebleven is na de officiële speeltijd.
• De keeper die aan het eind van de extra tijd als keeper fungeerde, fungeert als keeper in de eerste strafbalserie.
• De strafballen worden genomen in de volgorde, zoals door de coaches is aangegeven.
• Alleen de spelers die de strafballen nemen, de keepers en de scheidsrechters zijn op het speelveld aanwezig.
• Alle spelers die strafballen gaan nemen, met uitzondering van de keeper en strafbalnemer, stellen zich op achter de middenlijn.
• De strafballen worden om en om genomen.
• De drie spelers van elk team nemen ieder één strafbal.
• Een beslissende uitslag wordt bereikt, zodra een team leidt met een groter aantal doelpunten dan de tegenpartij nog aan strafballen te nemen heeft. De wedstrijd is voorbij en het winnende team heeft gewonnen met een extra doelpunt toegevoegd aan het aantal van het gelijkspel na de officiële speeltijd.
• Wanneer de uitslag na de eerste strafbalserie gelijk is, wordt de wedstrijd beslist door een tweede strafbalserie.
K.6.3. Tweede strafbalserie:
Wanneer de uitslag na de eerste strafbalserie gelijk is, nemen de spelers één strafbal, totdat een beslissend resultaat wordt bereikt.
K.6.4. Procedure van de tweede strafbalserie:
• De spelers nemen ieder één strafbal, totdat een beslissend resultaat wordt bereikt.
• De coach beslist welke spelers deelnemen en in welke volgorde en maken dit schriftelijk bekend aan de scheidsrechters en scorer.
• Iedere speler, die op het moment van verstrijken van de speeltijd in het veld stond, kan opgegeven worden voor de tweede strafbalserie, dus geen speler met een straftijd, die overgebleven is na de officiële speeltijd.
• Wanneer op het wedstrijdformulier een ongelijk aantal spelers staan genoteerd bij beide teams, worden door beide teams het aantal spelers opgegeven overeenkomstig het aantal spelers van het team dat de minste spelers heeft.
• De keeper van de eerste strafbalserie, fungeert als keeper.
• Een beslissende uitslag wordt bereikt, zodra een team één doelpunt meer heeft gescoord dan de tegenpartij en beide teams een gelijk aantal strafballen hebben genomen. De wedstrijd is voorbij en het winnende team heeft gewonnen met een extra doelpunt toegevoegd aan het aantal van het gelijkspel na de officiële speeltijd.
• Wanneer alle genoteerde spelers van het team een strafbal hebben genomen en de uitslag is nog gelijk, dan wordt de wedstrijd beslist door een derde strafbalserie, gespeeld op dezelfde wijze als de tweede strafbalserie, enz.
K.6.6. Wanneer de plaatsing beslist dient te worden in geval van drie teams, zaI elk team een eerste strafbalserie krijgen en, indien nodig, een tweede strafbalserie.
K.6.7. Wanneer een genoteerde speler of keeper een wedstrijdstraf oploopt tijdens een strafbalserie, dan is het de coach toegestaan een andere speler, cq. keeper te kiezen die nog niet genoteerd stond, om de gestrafte speler, cq. keeper te vervangen.
BIJLAGE I SIGNALEN SCHEIDSRECHTERS
ALGEMENE SIGNALEN
1. Tijd gaat in: Beweeg de hand op en neer in de richting van de tijdwaarnemer.
2. Tijd stopt: Maak een T-signaal met de wijsvinger tegen de andere handpalm in de
richting van de tijdwaarnemer.
3. Belaste time-out: Maak een T-signaal met één hand tegen de handpalm van de andere
hand in de richting van de tijdwaarnemer.
4. Doelpunt: Wijs met de wijsvingers en gestrekte armen eerst naar het doel en dan
naar de middenstip.
5. Ongeldig doelpunt: Beweeg de armen voor het lichaam over elkaar heen en weer.
6. Voordeelregel: Beweeg een arm uitgestrekt met open hand en gesloten vingers in de richting van de aanvalshelft. Draai de andere hand met de onderarm in het rond.
7. Spelerswissel: Draai de vuisten om elkaar heen.
8. Einde speelhelft/ Kruis de onderarmen voor de borst.
wisselen van speelhelft:
9. Einde van de wedstrijd: Beweeg de handen met beide handpalmen naar boven richting de
uitgang/wedstrijdtafel.
SIGNALEN BIJ OVERTREDINGEN
10. 3-Seconden regel: Tel met uitgestrekte arm, zichtbaar met vingers en hoorbaar tot drie.
11. Bal-vast-situatie: Plaats de hand om de vuist van de andere hand.
12. Platgereden bal: Plaats twee handen tegen elkaar.
13. Doelgebiedregel: Beweeg met de handen boven de doelgebiedlijn.
14. Te hoge bal: Plaats beide handen op elkaar en beweeg de handen uit elkaar en weer op elkaar.
15. Uitbal: Wijs met gestrekte arm en hand in de richting van de plek waar de bal het
veld heeft verlaten en met de andere arm en hand in de aanvalsrichting.
16. Foutief stickgebruik: Beweeg een uitgestrekte arm met vuist op en neer.
17 . Haken: Maak met één arm een haakbeweging .
18. Vasthouden: Maak met één vuist voor het lichaam een ‘vasthoudbeweging’.
19. Hinderen: Grijp met de hand de pols van de ander arm vast.
20 . Wegduwen. Duw beide handen vanaf het lichaam naar voren (maak ‘duw’beweging).
21. Botsen: Sla met de vuist van de ene hand in de open handpalm van de andere hand.
22 Obstructie: Plaats beide handen op de heupen.
23. Doordringen: Draai een vuist heen en weer met uitgestrekte arm.
24. Afsnijden: Tik met de zijkant van de ene arm op de pols van de andere arm.
25. Onopzettelijke Strek een arm met vingers bij elkaar boven het hoofd.
overtreding:
26. Dubbele fout: Strek beide armen en handen, met de vingers bij elkaar, boven het hoofd.
27. Opzettelijke Strek een arm met gebalde vuist boven het hoofd.
overtreding:
28. Zware opzettelijke Strek beide armen met gebalde vuisten boven het hoofd.
overtreding/wangedrag:
.
SIGNALEN BIJ STRAFFEN
29. Waarschuwing: Loop naar de speler toe en maak met een opgestoken wijsvinger een waarschuwingsteken richting de betrokken speler. Geef daarbij een korte uitleg.
30. Tijdstraf: Wijs de betrokken speler aan, steek twee vingers op, toon de gele
kaart en wijs daarna in de richting van de uitgang van het veld.
31.Diskwalificatie: Wijs de betrokken speler aan, toon de rode kaart en wijs daarna in de richting van de uitgang van het veld.
SIGNALEN BIJ SPELHERVATTINGEN.
32. Scheidsrechtersbal: Steek met gestrekte armen beide vuisten met de duimen omhoog.
33. Vrije bal, Wijs met een wijsvinger naar de plaats waar de bal genomen moet keeperbal, worden en met de andere hand in de richting van de aanvalshelft.
beginbal:
34. Strafbal: Wijs naar de strafbalstip en steek met de andere hand een vuist omhoog.
BIJLAGE II TABEL VAN OVERTREDINGEN, STRAFFEN EN SPELHERVATTINGEN
Overtredingen
Gebied
Straf
Spelhervatting
Gelijktijdige overtreding
Hele veld
Zie hieronder wat wordt bedoeld
Scheidsrechtersbal
Onopzettelijke overtreding
Hele veld
Waarschuwing
of
tijdstraf
(Gele Kaart)
Vrije bal
Opzettelijke overtreding
Buiten
eigen strafbalgebied
Waarschuwing
of
tijdstraf
(Gele Kaart)
Vrije bal
Opzettelijke overtreding
Binnen
eigen strafbalgebied
Tijdstraf
(Gele Kaart)
Strafbal
Zware opzettelijke overtreding
Buiten
eigen strafbalgebied
Diskwalificatie
(Rode Kaart)
Vrije bal
Zware opzettelijke overtreding
Binnen
eigen strafbalgebied
Diskwalificatie
(Rode Kaart)
Strafbal
Wangedrag
Hele veld
Diskwalificatie
(Rode Kaart)
Afhankelijk van waar de wedstrijd voor is stopgezet
BIJLAGE III TOELICHTING OP PERSOONLIJK CONTACT
Beslissingen betreffende Persoonlijk Contact zijn gebaseerd op de volgende basisprincipes:
a) Het is de plicht van iedere speler om alle mogelijke manieren van Persoonlijk Contact te vermijden.
b) Elke speler mag een plaats innemen in het veld die niet reeds door een tegenstander bezet is, mits hij bij het innemen van die plaats geen Persoonlijk Contact maakt en rekening houdt met de elementen: ‘tijd en plaats’.
c) Als ten gevolge van Persoonlijk Contact een fout plaatsvindt, dan wordt de overtreding begaan door de speler die voor het contact verantwoordelijk is.
PERSOONLIJK CONTACT IS NIET TOEGESTAAN!
Een speler mag een tegenstander niet hinderen en duwen. Evenmin mag hij tegen hem opbotsen, plotseling in zijn baan komen (obstructie), doordringen of afsnijden.
Een speler mag op geen enkele wijze een ruwe manier van spelen gebruiken.
Ofschoon, theoretisch, rolstoelhockey een ‘spel zonder Persoonlijk Contact’ is, wordt het praktisch onmogelijk dit contact volledig te voorkomen, wanneer meerdere spelers met rolstoelen zich met enige snelheid over het beschikbare speelveld bewegen.
Wanneer Persoonlijk Contact het gevolg is van een geoorloofde poging de bal te spelen, dan mag dit contact als toevallig worden beschouwd en behoeft niet bestraft te worden, tenzij de speler waartegen het contact werd begaan er op enigerlei wijze nadeel van ondervindt.
Een speler die stilstaat, is nooit verantwoordelijk voor Persoonlijk Contact.
Persoonlijk Contact
De elementen ‘tijd’ en ‘plaats’ spelen een belangrijke rol wanneer Persoonlijk Contact van spelers wordt beoordeeld.
Het element ‘tijd’ is afhankelijk van de snelheid van de rolstoelen.
Het element ‘plaats’ omvat behalve de positie van de eigen rolstoel, ook de positie van de rolstoelen van medespelers en tegenstanders en de plaats van de doelen, de veldbegrenzing en de scheidsrechters. Samenvoeging van de elementen ‘tijd’ en ‘plaats’ levert de verplaatsingslijnen van de spelers op.
Bij snijdende verplaatsingslijnen dient een speler zijn tegenstander de gelegenheid te geven om te stoppen of zijn verplaatsingslijn te veranderen.
Bij evenwijdige verplaatsingslijnen dient een speler zijn tegenstander de gelegenheid te geven om zijn verplaatsingslijn voort te zetten.
Een speler mag zich zowel in voorwaartse als in achterwaartse richting verplaatsen, mits geen Persoonlijk Contact wordt veroorzaakt.
Botsen
Wanneer verplaatsingslijnen elkaar snijden, dreigt het gevaar van botsen op het snijpunt.
Een hulpmiddel om te bepalen wie tegen wie opbots, is in de eerste plaats te kijken naar wie het initiatief van de actie heeft genomen, maar daarnaast ook waar de botsing plaatsvindt: degene wiens rolstoel aan de zijkant geraakt wordt, wordt geacht als eerste op die plaats (het snijpunt) aanwezig te zijn. De speler die de zijkant raakt, begaat de overtreding.
Onder botsen valt ook: het contact maken door een plotselinge draai met de rolstoel, bijvoorbeeld om de bal weg te spelen in een kleine ruimte waar veel spelers/rolstoelen zich bevinden.
Afschermen
Afschermen vindt plaats wanneer een speler probeert een tegenstander, die niet in balbezit is, te verhinderen een gewenste positie op het speelveld in te nemen.
Afschermen kan geoorloofd en ongeoorloofd zijn:
Geoorloofd afschermen
Een speler die een tegenstander afschermt en stilstaat of beweegt zonder Persoonlijk Contact te maken, terwijl de afgeschermde speler zijn verplaatsingslijn voort kan zetten, maakt geen overtreding.
Ongeoorloofd afschermen
Een speler, die een tegenstander afschermt, maar beweegt, waardoor Persoonlijk Contact ontstaat met de speler die afgeschermd wordt, begaat een overtreding, omdat de speler die afgeschermd wordt, geen gelegenheid krijgt zijn verplaatsingslijn voort te zetten en/of tijdig tot stilstand te komen.
Deze speler maakt zich schuldig aan hinderen, wegduwen, botsen, obstructie, doordringen of afsnijden en is in overtreding.
Wanneer een speler stilstaand een afscherming weet te bereiken in het directe gezichtsveld, hetzij recht vooruit of opzij van de speler die afgeschermd wordt, terwijl deze zich voorwaarts beweegt en het veroorzaakt Persoonlijk Contact, dan is de speler die afgeschermd wordt verantwoordelijk voor dit contact en maakt de overtreding (doordringen).
Bij afschermen buiten het gezichtsveld van de tegenstander mag geen obstructie gepleegd worden. De speler die afschermt, dient erop te letten dat de tegenstander voldoende ruimte over heeft om Persoonlijk Contact te vermijden.
Een afgeschermde speler op een ongeoorloofde manier aanraken, is een overtreding.
Een stilstaande speler kan nooit ongeoorloofd afschermen.
Blokken
Een speler die een blok zet, maakt zich schuldig aan obstructie, wanneer hij zich zo plotseling in de baan van de bewegende tegenstander begeeft, dat duwen of botsen onvermijdelijk is.
Een speler die een blok zet, maakt zich schuldig aan doordringen, wanneer hij Persoonlijk Contact veroorzaakt, terwijl hij in beweging is en zijn tegenstander stilstaat of zich voor hem terugtrekt.
In andere gevallen wanneer Persoonlijk Contact plaatsvindt ten gunste van een poging om een blok te zetten en beide spelers zijn in beweging, dan kan elk van hen een overtreding begaan.
In twijfelgevallen ligt de grootste verantwoordelijkheid bij de speler die probeert een blok te zetten.
Blokken is toegestaan, mits bij snijdende verplaatsingslijnen Persoonlijk Contact wordt voorkomen, doordat de tegenstander gelegenheid krijgt om tijdig te stoppen of van verplaatsingslijn te veranderen.
Blokken is toegestaan, mits bij evenwijdige verplaatsingslijnen Persoonlijk Contact wordt voorkomen, doordat de tegenstander gelegenheid krijgt zijn rechte lijn voort te zetten.
Speler in balbezit
Een speler die de bal drijft mag geen Persoonlijk Contact maken met een tegenstander die in zijn weg staat.
De balbezitter dient rekening te houden met het element ‘plaats’. Hij mag niet doordringen op een stilstaande speler, tussen tegenstanders of tussen een tegenstander en de veldbegrenzing, het doel of de scheidsrechter. Indien Persoonlijk Contact ontstaat, is de balbezitter hiervoor verantwoordelijk, omdat hij dient te zien dat er niet voldoende ruimte is om er zonder Persoonlijk Contact door te komen.
Gaat een speler, die in balbezit is, zonder Persoonlijk Contact te maken, een tegenstander zo ver voorbij dat hij een voorsprong heeft, dan ligt de grootste verantwoordelijkheid voor een volgend Persoonlijk Contact bij de tegenstander.
Heeft een speler, die in balbezit is, een rechte weg voor zich vrij, dan mag hij niet uit die rechte weg weggeduwd worden door een tegenstander.
Indien een tegenstander erin slaagt een correcte verdedigende positie op die weg in te nemen, dan moet de speler die de bal drijft, Persoonlijk Contact vermijden door van richting te veranderen of te stoppen.
Verdedigen van een speler die in balbezit is
De balbezitter dient te verwachten dat hij te allen tijde verdedigd wordt, ook als dit in een fractie van een seconde gebeurt.
Wanneer de verdedigende speler een legale verdedigende positie heeft ingenomen, moeten beide spelers elkaars verplaatsingslijn in acht nemen: de speler die plotseling van zijn lijn afwijkt, is verantwoordelijk voor het Persoonlijk Contact en maakt de overtreding.
Indien de verdediger zijn tegenstander wegdrukt, maakt hij de overtreding (= duwen).
Verdedigen van een speler die niet in balbezit is
Een speler die niet in balbezit is, heeft het recht zich vrij te bewegen over het speelveld en iedere positie in te nemen, die niet reeds door een andere speler bezet is.
Spelers die niet in balbezit zijn, dienen de elementen ‘tijd’ en ‘plaats’ in acht te nemen. Dit betekent dat zowel aanvallende als verdedigende spelers die geen balbezit hebben, niet een positie mogen innemen zo dicht bij een tegenstander, die beweegt of stilstaat, dat gemakkelijk Persoonlijk Contact ontstaat.
De afstand tussen aanvaller en verdediger hangt af van de snelheid van de spelers.
Een speler die niet in balbezit is, mag zich niet plotseling in de baan van een tegenstander begeven, zonder dat deze tegenstander voldoende tijd of afstand wordt gegund om te stoppen of van richting te veranderen.
Indien een speler geen rekening houdt met de elementen ‘tijd’ en ‘plaats’ bij het innemen van zijn positie en er treedt Persoonlijk Contact op, dan is hij verantwoordelijk voor dit contact en kan voor een overtreding tegen hem worden gefloten.
Wanneer een verdedigende speler een legale verdedigende positie heeft ingenomen, mag hij zijn tegenstander niet verhinderen hem te passeren door zich plotseling in de baan van die tegenstander te begeven (=obstructie).
Wanneer een verdediger een legale verdedigende positie heeft ingenomen, mag hij zich wegdraaien of voor- of achterwaarts verplaatsen om in de baan van zijn tegenstander te blijven. De verdediger mag zich niet voor- of achterwaarts naar zijn tegenstander toe bewegen. Wanneer hierdoor Persoonlijk Contact ontstaat, dan is hij daarvoor verantwoordelijk. De verdediger dient het element ‘plaats’ in acht te nemen, dat betekent in dit geval de afstand tussen zichzelf en zijn tegenstander.
Definities van Persoonlijk Contact
Haken is het plaatsen van de eigen stick om (een deel van) het lichaam, de stick of rolstoel van een tegenstander met als doel deze te stoppen, te hinderen, de tegenstander vast te houden, de stick te liften of de stick uit de hand te rijden.
Slaan/steken is stickcontact maken met het lichaam of de rolstoel van een andere speler.
/hakken
Vasthouden is het vasthouden van het lichaam, stick of rolstoel van een tegenstander met de eigen handen, voeten of rolstoel om het voortbewegen van die speler te belemmeren.
Hinderen is rolstoelcontact maken met de rolstoel van de tegenstander, waardoor de bewegingsvrijheid belemmerd wordt.
Duwen is rolstoelcontact dat ontstaat, wanneer een speler een tegenstander van zijn verplaatsingslijn wegduwt of probeert weg te duwen, door (langzaam) naar de tegenstander toe te bewegen.
Botsen is rolstoelcontact maken met de rolstoel van de tegenstander, doordat zij elkaars pad kruisen of doordat een speler plotseling van richting veranderd.
Obstructie is het plotseling in de baan van een tegenstander komen of stil gaan staan, waardoor het de tegenstander onmogelijk gemaakt wordt een botsing te voorkomen.
Obstructie is een verdedigende overtreding.
Doordringen is rolstoelcontact dat ontstaat wanneer een speler, al dan niet in balbezit, nadrukkelijk zijn weg doorzet en daardoor Persoonlijk Contact maakt met een of meerdere tegenstanders in een geoorloofde verdedigende positie en/of een doel, de veldbegrenzing of een scheidsrechter. Doordringen is een aanvallende overtreding.
Afsnijden is rolstoelcontact maken met een tegenstander, doordat bij evenwijdige verplaatsingslijnen een kleine voorsprong of een grotere snelheid van de rolstoel gebruikt wordt om (plotseling) van de verplaatsingslijn af te wijken en voor de tegenstander langs te rijden of naar de bal te reiken, terwijl de tegenstander geen gelegenheid heeft om het contact te ontwijken.
Afschermen is een poging te voorkomen dat een tegenstander, die niet in balbezit is, een door hem beoogde plaats bereikt. Afschermen zonder Persoonlijk Contact is toegestaan.
Blokken is het correct afschermen van een tegenstander met de bedoeling een medespeler vrij te spelen. Blokken zonder Persoonlijk Contact is toegestaan.
BIJLAGE IV TEKENINGEN
DOEL
T-STICK
SPEELVELD SUPER LEAGUE EN HOOFDKLASSE MINIMALE AFMETING
SPEELVELD SUPER LEAGUE EN HOOFDKLASSE MAXIMALE AFMETING
STRAFBALGEBIED (SPEELVELD SUPER LEAGUE EN HOOFDKLASSE)
SPEELVELD 1E KLASSE EN LAGER
|